Cross-case synthese

Cross-case synthese

Deze cross-case synthese brengt de inzichten samen uit de twee scenario planning sessies van het PWO SAIL-project: één met de opleiding Creative Media Management (CMM) en één met Toegepaste Informatica (TI). De analyse bouwt verder op de afzonderlijke sessie-analyses van beide opleidingen en volgt de methodologische aanpak zoals beschreven in het aanpak- en analysedocument van WP2 (Competentieanalyse en gewenste zelfstandigheid). Samen vormen het methodologisch kader, de twee sessie-analyses en deze cross-case synthese het analytische fundament van WP2.

Het doel van deze synthese is niet om beide domeinen te reduceren tot één uniforme visie op GenAI. De analyse wil zichtbaar maken waar professionele logica’s elkaar raken, waar ze uiteenlopen en welke conceptuele assen en typologieën bruikbaar zijn om verschillende vormen van professionele autonomie binnen AI-geïntegreerde contexten te begrijpen. De keuze voor deze assen en typologieën is een interpretatieve keuze van de onderzoekers, gestuurd door de doelstelling van WP2: opleidingen handvaten bieden om AI-integratie in curricula vorm te geven op een manier die professionele autonomie, diepgaand begrip en duurzame competentieontwikkeling blijft ondersteunen.

Hoewel deze analyse primair vertrekt vanuit competenties en professionele autonomie, suggereren de bevindingen dat ook onderliggende professionele disposities een belangrijke rol spelen. De geïdentificeerde spanningsvelden hebben immers niet uitsluitend betrekking op wat professionals moeten kennen of kunnen, maar ook op hun gevoeligheid om situaties correct te interpreteren en hun bereidheid om professioneel oordeel en verantwoordelijkheid op te nemen binnen AI-geïntegreerde werkprocessen. Zowel in de CMM- als de TI-sessie blijken kritisch beoordelen, verantwoordelijkheid opnemen, controle uitoefenen en context betekenisvol interpreteren niet alleen te gaan over wat professionals kunnen, maar ook over hun bereidheid om dit handelen daadwerkelijk op te nemen wanneer de situatie daarom vraagt. Het dispositiebegrip lijkt daardoor een bruikbare aanvullende lens om de bevindingen van deze synthese te interpreteren en om curriculumontwikkeling niet uitsluitend te richten op wat studenten moeten kennen en kunnen, maar ook op de professionele disposities die mee bepalen of en hoe deze competenties daadwerkelijk worden ingezet in AI-geïntegreerde beroepscontexten.

Tegen deze achtergrond bevestigen beide sessies de centrale hypothese van WP2: de vraag is niet of professionals GenAI zullen gebruiken, maar welke vormen van professionele autonomie noodzakelijk blijven wanneer AI structureel geïntegreerd raakt in professionele contexten. Tegelijk maken beide sessies duidelijk dat professionele autonomie binnen CMM en TI anders wordt ingevuld, afhankelijk van de professionele context waarin AI gebruikt wordt. Hoewel beide opleidingen vergelijkbare spanningsvelden ervaren, verschillen de accenten en concrete invullingen van autonomie, met directe implicaties voor curriculumontwikkeling.

Gezien het exploratieve karakter van deze fase zijn de bevindingen richtinggevend en analytisch verkennend, maar niet exhaustief. Ze zijn gebaseerd op twee sessies binnen één instelling en worden in een volgende fase verder gevalideerd.

In dit onderdeel